Veelgestelde vragen

Heeft u een vraag over één van onze producten? Kijk eens bij onderstaand overzicht of uw vraag erbij staat. Staat uw vraag er niet bij, neem dan contact op via het contactformulier of bel 030 - 740 03 60. 

Medicatiebewaking

  • Medicatiebewaking
    • Waarom is de interactie tussen tramadol en SSRI’s niet opgenomen?

      Er is bewust voor gekozen om deze interactie niet op te nemen in het interactiebestand, omdat een goede wetenschappelijke onderbouwing en praktisch afhandelingsadvies ontbreken.

      In de literatuur worden enkele gevallen beschreven van het gebruik van tramadol in combinatie met een SSRI waarin (vermoedelijk) sprake is van het serotoninesyndroom. In de casus werden vaak ook nog andere geneesmiddelen gebruikt, zoals TCA’s en benzodiazepines. In alle gevallen herstelden de patiënten na staken van tramadol of na staken van het tramadol en het SSRI. De klachten behorend bij het serotoninesyndroom kunnen – zij het zelden – ook 'gewoon' als bijwerking van tramadol en bij een 'reguliere' dosisverhoging optreden. Uit de casus kan worden afgeleid dat patiënten die SSRI's gebruiken mogelijk een verhoogde kans hebben op de zeldzame onaangename bijwerkingen van tramadol, die ook in combinatie als serotoninesyndroom zijn beschreven. Alleen een case-control studie of cohortstudie kan verdere aanwijzingen geven over de vraag of de combinatie inderdaad met meer risico gepaard gaat dan tramadol alleen.

      Ondanks het feit dat de combinatie van tramadol en SSRI’s in de praktijk vaak voor zal komen – zowel SSRI’s als tramadol zijn veelgebruikte middelen – is er toch slechts sprake van een klein aantal case reports waarin een interactie wordt beschreven.

      Naast een verhoogd risico op het serotoninesyndroom speelt een mogelijk verhoogde kans op convulsies een rol, omdat zowel tramadol als antidepressiva in het algemeen de convulsiedrempel verlagen. Dit is een theoretische interactie. Tot dusverre is slechts in één casus beschreven dat een patiënt met tramadol en andere psychofarmaca convulsies kreeg; het betrof echter een alcoholicus, waarbij de convulsies ook konden worden toegeschreven aan alcohol-onttrekking.

      De afhandeling van deze interactie is lastig; tramadol is niet altijd eenvoudig te vervangen. Wanneer een NSAID als alternatief wordt gekozen, geeft dit ook een interactie met SSRI's. Paracetamol zal (meestal) geen optie zijn. Stockley geeft aan dat het niet nodig is om de combinatie geheel te vermijden, maar adviseert om de patiënt nauwlettend in de gaten te houden. Dit advies is moeilijk in de praktijk te brengen, met name in de eerste lijn.

      1. Gillman PK. A review of serotonin toxicity data: implications for the mechanism of antidepressant drug action. Biol Psychiatry 2006; 59: 1046-1051.

      2. Isbister GK, Buckley NA. The pathophysiology of serotonin toxicity in animals and humans – implications for diagnosis and treatment. Clin Neuropharmacol 2005; 28: 205-214.

      3. Opioids; tramadol + SSRIs [Updated on 22-Oct-2009]. In: Baxter K (Ed), Stockley's Drug Interactions, 8th ed. London: The Pharmaceutical Press 2008: 1222-1223.

    • Waarom is de interactie tussen sumatriptan en SSRI’s niet opgenomen?

      Er is bewust voor gekozen om deze interactie niet op te nemen in het interactiebestand, omdat een goede wetenschappelijke onderbouwing en praktisch afhandelingsadvies ontbreken.

      Triptanen kunnen in theorie de serotonerge neurotransmissie beïnvloeden. In combinatie met een SSRI zou dit kunnen leiden tot serotonerge bijwerkingen, zoals het serotoninesyndroom. Het serotoninesyndroom berust vermoedelijk op toename van de hoeveelheid 5-HT en vervolgens prikkeling van vooral 5-HT2A-receptoren. De farmacologische eigenschappen van de triptanen overziend, is een bijdrage van deze middelen aan het serotoninesyndroom onwaarschijnlijk. Triptanen hebben geen noemenswaardige affiniteit voor de 5-HT2A-receptoren: ze stimuleren 5-HT1B en 5-HT1D-receptoren. Ook vergroten ze de hoeveelheid serotonine in de synaptische spleet niet.

      In de literatuur worden enkele gevallen beschreven van gelijktijdig gebruik van sumatriptan en een SSRI, waarin symptomen werden waargenomen die zouden kunnen wijzen op een serotoninesyndroom. De twee best gedocumenteerde gevallen betroffen sumatriptan als injectie; in combinatie met sertraline werden bepaalde serotonerge bijwerkingen versterkt. Daarnaast zijn er ook studies gepubliceerd waarin sumatriptan zonder complicaties werd gecombineerd met verschillende SSRI’s. Een aantal auteurs stelt ook dat de combinatie over het algemeen zonder problemen gebruikt kan worden. Dit heeft weliswaar in enkele gevallen tot problemen heeft geleid, maar die vormen geen reden om de combinatie geheel af te raden. Een overzichtsartikel over de combinatie van SSRI’s/SNRI’s met triptanen komt tot de conclusie dat er geen reden tot bezorgdheid is.5

      Depressie en migraine komen vaak samen voor en daarmee ook het gecombineerd gebruik van een SSRI en een triptaan. Toch is slechts sprake van een klein aantal case reports waarin een mogelijke interactie wordt beschreven. De casuïstiek die gepubliceerd is over deze interactie is weinig overtuigend.

      De afhandeling van deze interactie is lastig. Sumatriptan is het meest gebruikte triptaan en het langst op de markt. Voor andere triptanen zijn (nog) geen publicaties beschikbaar die symptomen van het serotoninesyndroom beschrijven bij gelijktijdig gebruik met een SSRI. Dat dergelijke problemen (nog) niet gemeld zijn, is echter geen reden om aan te nemen dat de overige triptanen ‘veiliger’ zijn dan sumatriptan. Bovendien passeert sumatriptan de bloed-hersen-barrière niet en zijn er andere triptanen die op grond van een betere passage van de bloed-hersen-barrière op theoretische basis een groter risico bij combinatie met SSRI's kunnen geven. Ook een SSRI kan niet altijd vervangen worden.

      1. Shapiro RE, Tepper SJ. The serotonin syndrome, triptans, and the potential for drug-drug interactions. Headache 2007; 47: 266–269.

      2. Gillman PK. A review of serotonin toxicity data: implications for the mechanism of antidepressant drug action. Biol Psychiatry 2006; 59: 1046-1051.

      3. Isbister GK, Buckley NA. The pathophysiology of serotonin toxicity in animals and humans – implications for diagnosis and treatment. Clin Neuropharmacol 2005; 28: 205-214.

      4. Triptans + SSRIs [Updated on 08-Oct-2005]. In: Baxter K (Ed), Stockley's Drug Interactions, 8th ed. London: The Pharmaceutical Press 2008: 605-606.

      5. Wenzel RG, Tepper S, Korab WE, Freitag F. Serotonin Syndrome risks when combining SSRI/SNRI drugs and triptans: is the FDA’s alert warranted? Ann Pharmacotherapy 2008; 42: 1692-1696.

    • Waarom is de interactie tussen metoprolol en sterke CYP2D6-remmers (weer) opgenomen?

      Per 1 december 2018 vindt er weer bewaking plaats op de interactie tussen metoprolol en sterke CYP2D6-remmers. In 2005 was besloten deze interactie niet meer te bewaken. Uit de toen beschikbare literatuur bleek dat in farmacogenetische studies bij mensen met hypertensie en hartfalen een relatief hoge metoprololspiegel geen invloed had op de verdraagbaarheid, bijwerkingen en/of effectiviteit. Een nieuw literatuuroverzicht concludeert op basis van zowel de spiegelstijging van metoprolol als casuïstiek (bradycardie als bijwerking) dat de combinatie beter vermeden kan worden. Ook omdat er goede alternatieven beschikbaar zijn.

      Health Base heeft dit advies overgenomen en signaleert de combinatie metoprolol met sterke CYP2D6-remmers als interactie, met het advies om voor een van beide middelen een alternatief te kiezen.

      Wat betekent dit voor patiënten die reeds zijn ingesteld op de combinatie metoprolol – CYP2D6-remmers?
      Afgelopen jaren is veel gebruikservaring opgedaan met deze combinatie en zijn er bij Health Base geen meldingen bekend dat dit in Nederland tot risicovolle situaties heeft geleid. Het is daarom niet nodig om reeds ingestelde therapie bij iedereen te wijzigen. Wel is het verstandig om te vragen naar bijwerkingen zoals duizeligheid of bradycardie. In voorkomende gevallen kan dosisaanpassing gewenst zijn.

      De keuze om de combinatie metoprolol – CYP2D6-remmers vanaf nu wel te signaleren is gebaseerd op een beschikbaar alternatief, een theoretische kans op bradycardie en een hogere metoprololspiegel.

      Wat betekent dit voor nieuwe patiënten? 
      We adviseren om bij nieuwe patiënten af te zien van de combinatie metoprolol – sterke CYP2D6-remmers, en een alternatief voor een van beide middelen te kiezen.

      Uitgebreide achtergrondinformatie vindt u in Commentaren Medicatiebewaking IA 219 metoprolol – CYP2D6-remmers.

    • Hoe werkt de bewaking bij magistrale receptuur?

      In de medicatiebewaking voor magistrale receptuur zijn opgenomen: controle op interacties, contra-indicaties, intoleranties en doseringscontrole. De bewaking is gebaseerd op de combinatie van bestanddelen (generieke stoffen) met toedieningsweg. Zie ook de Handleiding invullen eigen preparaten.

      De bestanddelen zijn ofwel die welke tijdens de receptverwerking worden ingevoerd, ofwel die welke bij eigen preparaten in de tabel Eigen preparaten zijn ingevoerd. Let op: wanneer bij Eigen preparaten in het Pharmacom bewakingsscherm (F6) gegevens worden ingevuld, dan vervalt de bewaking via de samenstelling.

      Bewaking per toedieningsweg (oraal, inhalatie, intraveneus, etc.) is noodzakelijk omdat een interactie die bijvoorbeeld bij systemische toepassing relevant is, bij toepassing op de huid niet relevant hoeft te zijn.

      De medicatiebewakingsgegevens voor generieke stoffen zijn in Pharmacom te raadplegen door de grondstof in de taxe op te zoeken. Met S is de samenstelling op te vragen, met / kan er gebladerd worden tussen verschillende schermen:

      1. samenstelling: alle generieke bestanddelen

      2. samenstelling: alleen de generieke bestanddelen met bewaking, uitgesplitst per toedieningsweg (TW)

      3. overzicht van de bewaakte interacties (F9-R toont volledige omschrijving)

      4. overzicht van de bewaakte contra-indicaties (F9-R toont volledige omschrijving) De gegevens die in het bewakingsscherm (F6) van de taxe bij het bestanddeel staan worden niet gebruikt bij de magistrale medicatiebewaking.

      NB: De medicatiebewakinggegevens van generieke stoffen zijn alleen te raadplegen en niet te muteren.

    • Waarom wijkt bij FNA-preparaten de uiterste gebruiksdatum op het etiket af van de houdbaarheid volgens de FNA-richtlijnen?

      Voor alle apotheekbereidingen dient op het etiket voor de patiënt een uiterste gebruiksdatum vermeld te worden. Deze datum dient gebaseerd te zijn op de bewaar- en gebruikstermijnen volgens de richtlijnen zoals vermeld in het FNA op de Kombirom en in Recepteerkunde (derde druk).

      Als in het FNA een specifieke bewaartermijn na afleveren wordt genoemd, wordt deze op het etiket vermeld.In de andere gevallen waarbij de bewaartermijn geldt na bereiden wordt de volgende regel aangehouden: de bewaartermijn wordt verdeeld in een 2/3 gedeelte voor de apotheek en 1/3 deel voor de patiënt, mits dit resulteert in een termijn langer dan 3 maanden. Dit is omdat FNA preparaten op voorraad of op recept bereid kunnen worden; een keuze die per apotheek kan verschillen.

      Wanneer een preparaat direct na bereiding aan de patiënt wordt afgeleverd (bereiding op recept) kan in Pharmacom de uiterste gebruiksdatum op het etiket vóór afdrukken handmatig aangepast worden aan de FNA richtlijn. Als de houdbaarheid door de bovenbeschreven regel korter zou worden dan 3 maanden, geldt als uitgangspunt dat deze bereiding gewoonlijk niet op voorraad gemaakt zal worden en het een receptbereiding betreft. De houdbaarheid wordt dan gesteld op 3 maanden of zoveel korter als het bereidingsvoorschrift aangeeft. In het algemeen kan gesteld worden, dat de bewaartermijn met 50% wordt bekort, indien de voorraadbereiding niet wordt afgevuld in een verpakking voor de patiënt, maar in een opstandpot, die tussentijds wordt geopend.

    • Waarom verschijnt er geen dubbelmedicatie-signaal bij ...?

      Een dubbelmedicatie signaal verschijnt wanneer een tweede middel met dezelfde werkzame stof wordt voorgeschreven, maar alleen:

      • bij geneesmiddelen met een groot risico op overdosering, toxiciteit of afhankelijkheid (bijv. colchicine of benzodiazepines)

      • bij geneesmiddelen die (doorgaans) chronisch gebruikt moeten worden en waarbij therapietrouw belangrijk is.

      Er zijn echter geneesmiddelen die wel aan bovengenoemde criteria voldoen, maar waarvoor geen juiste einddatum berekend kan worden (bijv. cumarines, insulines of oogdruppels voor glaucoom). Om onterechte signalen te voorkomen is voor deze middelen geen signaal dubbelmedicatie opgenomen.

    • Waarom verschijnt er geen signaal als een patiënt 2 verschillende immunosuppressiva gebruikt?

      Deze combinatie van geneesmiddelen voldoet niet aan de criteria die zijn gesteld voor de bewaking op pseudodubbelmedicatie. Deze criteria zijn:

      • Geneesmiddelen uit dezelfde farmacotherapeutische groep, waarbij gecombineerd gebruik door 'stapeling van effecten' of toxiciteit schadelijk voor de patiënt kan zijn (bijvoorbeeld anxiolytica of contactlaxantia), of waarbij een combinatie (meestal) als irrationeel of onlogisch kan worden beschouwd (bijvoorbeeld antibiotica of antidepressiva);

      • Geneesmiddelen niet uit dezelfde groep, die eenzelfde patroon van bijwerkingen (bijvoorbeeld anticholinerg werkend) hebben en daardoor ongewenste reacties bij de patiënt kunnen veroorzaken.

      Hiermee probeert Health Base de hoeveelheid signalen te beperken tot signalen waar daadwerkelijk actie op ondernomen kan worden. Het is bekend dat medicatiebewakingssignalen, waarop geen actie op wordt ondernomen ‘signaalmoeheid’ opleveren, waarbij het risico bestaat dat relevante signalen worden ‘doorge-enterd’ en belangrijke informatie kan worden gemist.

      Immunosuppressiva is een diverse groep geneesmiddelen die voor verschillende aandoeningen worden ingezet, zoals ernstige reuma, ernstige psoriasis, maar ook bij patiënten die een transplantatie hebben ondergaan. Het komt regelmatig voor dat deze immunosuppressiva gecombineerd worden gebruikt. Een voorbeeld hiervan is de combinatie van etanercept met methotrexaat bij reuma, maar ook mycofenolaat in combinatie met ciclosporine ter voorkoming van afstotingsverschijnselen bij transplantatiepatiënten. Vaak gebruiken transplantatiepatiënten meerdere sterktes van het immunosuppressivum. Dit zou, als er een PD-signaal immunosuppressiva zou verschijnen, betekenen dat er een overdaad aan onterechte signalen zou optreden. Er is uitgezocht dat er veel meer onterechte dan terechte signalen gegenereerd zouden worden en daarom is in overleg met de Redactiecommissie Medicatiebewaking besloten deze PD niet op te nemen.

    • Waarom is er bij IA 191 (ibuprofen/indometacine - acetylsalicylzuur) géén advies voor maagbescherming, in tegenstelling tot IA 304 (NSAID’s - acetylsalicylzuur/carbasalaatcalcium)?

      De combinatie tussen ibuprofen of indometacine met acetylsalicylzuur zorgt ervoor dat de acetylsalicylzuur zijn werking als trombocytenaggregatieremmer verliest. Daarom wordt deze combinatie afgeraden. Dat is tevens de reden dat er geen advies over maagbescherming is opgenomen: dat zou suggereren dat de combinatie wel afgeleverd kan worden, terwijl dat niet de bedoeling is. In IA 304 is ‘slechts’ sprake van een verhoogd risico op maagbloedingen; de combinatie kan daarom wel afgeleverd worden, mits er bij risicopatiënten maagprotectie wordt toegevoegd.

    • Hoe kan ik patiënten met hartfalen selecteren?

      In de informatiesystemen bij huisartsen en apotheken blijkt het aantal patiënten waarvoor hartfalen als contra-indicatie is geregistreerd vaak klein, terwijl de prevalentie van hartfalen circa 4% van de bevolking is. Het kan daarom wenselijk zijn om meer patiënten met hartfalen te identificeren. Omdat er geen specifieke geneesmiddelgroep of geneesmiddel geregistreerd is voor de behandeling van hartfalen kan niet rechtstreeks een afgeleide indicatie hartfalen gesignaleerd worden. Een alternatieve methode is om patiënten met hartfalen op te sporen op basis van geneesmiddelgebruik.

      • Stap 1: Patiënten die mogelijk hartfalen hebben selecteren op basis van geneesmiddelgebruik

        Patiënten die continu een lisdiureticum gebruiken selecteren. Door 2 selecties te maken over verschillende periodes, worden de incidentele gebruikers van lisdiuretica niet meegenomen. De ene selectie betreft het gebruik van lisdiuretica in de periode van 7 tot 12 maanden geleden en de andere betreft het gebruik in de afgelopen 6 maanden. Door de gemeenschappelijke populatie uit deze 2 selecties te kiezen wordt de groep continue gebruikers zichtbaar. Patiënten die een ACE-remmer of een voor hartfalen geregistreerde angiotensine-II-antagonist (valsartan of candesartan) in de afgelopen 6 maanden gebruiken selecteren. Vervolgens de gemeenschappelijke patiënten uit bovengenoemde selecties selecteren. De aldus gevonden patiënten zijn mogelijk patiënten met hartfalen; louter op basis van het geneesmiddelgebruik is dit niet met zekerheid te zeggen. Immers, een andere indicatie voor de combinatie van deze geneesmiddelen kan hypertensie zijn.

      • Stap 2: Vervolgselectie op basis van medicatieprofiel

        De selectie van potentiële hartfalen-patiënten kan verder verfijnd worden door een beoordeling en vervolgselectie op basis van leeftijd en co-medicatie (medicatieprofiel). Zo kan bijvoorbeeld gebruik van bèta-sympathicolytica (metoprolol, carvedilol en bisoprolol in lage doses), digoxine of spironolacton een nadere aanwijzing voor hartfalen zijn. De veiligste manier om vervolgens de indicatie hartfalen af te leiden is het beoordelen van de medicatieprofielen samen met de huisarts.

      • Selectie via Pharmacom Q-module

        In de Pharmacom Q-module is een speciale routine (search) beschikbaar om de hiervoor beschreven selecties uit te voeren. Meer informatie hierover vindt u in de Pharmacom Handleiding Hartfalen.

    • Waarom verschijnt er geen EUC-signaal over verkeersdeelname bij dit geneesmiddel?

      Signalen voor de Eerste Uitgifte Controle (EUC) zijn opgenomen bij:

      • middelen uit categorie III waarmee niet gereden mag worden

      • middelen uit categorie II en III waarvoor een rijveiliger alternatief bestaat

      In die gevallen is een signaal tijdens het voor- of aanschrijven van belang, zodat u kunt overwegen om de therapie aan te passen.

      In alle andere gevallen is er eerder sprake van begeleiding; het informeren van de patiënt. Daarom zijn voor alle middelen die de rijvaardigheid beinvloeden, teksten voor Eerste Uitgifte Begeleiding (EUB) beschikbaar. In EUB is meer ruimte voor toelichting dan in EUC. Bovendien kunt u bij EUB vastleggen dat u deze begeleiding heeft uitgevoerd.

    • In de bijsluiter van amlodipine staat dat je geen grapefruitsap mag drinken. Waarom wordt hier niet voor gewaarschuwd in de GIP (geneesmiddelinformatie voor de patiënt) of de UB (uitgiftebegeleiding)?

      In de GIP staat een waarschuwing voor het gebruik van grapefruit(sap) als GW (gebruikswaarschuwing) 52 ‘Gebruik geen grapefruit(sap)’ op het etiket is opgenomen. De UB toont gekoppelde GA’s en GW’s automatisch. Op het etiket van amlodipine is geen GW 52 opgenomen. Daarom is de waarschuwing ook niet terug te vinden in de GIP of UB.

      Achtergrond: Bepaalde stoffen in grapefruitsap remmen het enzym cytochroom P450 3A4 (CYP3A4) dat aanwezig is in de darmwand en de lever. Hierdoor kan de biologische beschikbaarheid van sommige geneesmiddelen worden verhoogd. Furanocumarines, vermoedelijk met name 6,7-dihy­droxybergatmottin, worden beschouwd als de belangrijkste CYP3A4-remmende bestanddelen uit grapefruitsap. Deze interactie kan aanzienlijk zijn voor stoffen die, ten gevolge van een hoog ‘first-pass’ metabolisme door CYP3A4, een lage biologische beschikbaarheid hebben.

      Amlodipine heeft, net als diltiazem en nicardipine, een relatief hoge biologische beschikbaarheid. Stijging van de bloedspiegels door gebruik van grapefruitsap leidt daarom bij deze geneesmiddelen niet tot klinisch relevante bijwerkingen. Om deze reden is er geen waarschuwing voor het gebruik van grapefruitsap opgenomen op het etiket en in de GIP van amlodipine.

      Voor meer informatie, zie Commentaren Medicatiebewaking Gebruikswaarschuwing (GW) Grapefruitsap.

    • Waarom zie ik een dubbele melding (GA/GW) over de houdbaarheid van een geneesmiddel op het etiket staan?

      Een verklaring voor de dubbele melding over de houdbaarheid kan zijn dat er bij u in de apotheek lokaal afwijkende GA/GW- teksten zijn ingevoerd voor dit product. Afwijkende GA/GW teksten die lokaal zijn opgenomen, worden aanvullend op de centraal-uitgeleverde GA/GW teksten op het etiket afgedrukt.

      Of er sprake is van lokale teksten, kan op de volgende manier worden gecontroleerd in Pharmacom Classic:

      - Taxebeheer (6)

      - Onderhoud taxebestand (1)
      - Memocode/sterkte invoeren van het product
      - Product selecteren
      - F9-scherm, rubriek 22/23 of F3-scherm, rubriek 36/37

      Wanneer achter de tekst ‘afw’ een code is ingevuld dan zijn dit lokaal gekoppelde teksten. Met W (wijzingen) kunnen de lokale teksten worden verwijderd door de clusterbeheerder.

      Bij het herhalen van een preparaat dat oorspronkelijk een lokale GA/GW had, komt de dubbele melding alsnog op het etiket.

      Mocht er geen sprake zijn van een lokale tekst, dan kunt u dit melden bij medicatiebewaking@healthbase.nl.

    • Waarom wordt de interactie simvastatine – amlodipine niet gesignaleerd?

      De combinatie amlodipine en simvastatine wordt niet bewaakt vanwege onvoldoende onderbouwing. Er is onderzoek gedaan naar de combinatie 10 mg amlodipine met 80 mg simvastatine. Hierbij werd een toename van blootstelling aan simvastatine gezien. De fabrikant heeft op basis van dit onderzoek in de bijsluiter het advies opgenomen om de dosis van simvastatine te verlagen. Echter is er ook een studie waarin een afname van de blootstelling aan simvastatine is gezien bij gecombineerd gebruik met amlodipine.

      Naast dat de klinische relevantie niet duidelijk is, is ook onduidelijk wat het interactiemechanisme is. Amlodipine staat namelijk niet bekend als een CYP3A4-remmer.1 

      Samenvattend: vanwege onvoldoende onderbouwing, het ontbreken van een interactiemechanisme en de onduidelijke klinische relevantie is vooralsnog besloten om deze combinatie niet te bewaken.

      1. Baxter K (ed). Stockley’s Drug Interactions [online]. London: Pharmaceutical Press. www.medicinescomplete.com Statins – Calcium-channel blockers; Dihydropyridines (updated 21-Oct-2015)

    • Hoe wordt een geneesmiddel bewaakt dat in de status op 'Chronisch' of 'Tijdelijk' staat?

      De geneesmiddelen in de status kunnen op drie manieren gelabeld worden: 

        • C (chronisch) is bedoeld voor medicatie die voor langere tijd in een vast schema gebruikt moet worden. Dit is meestal dagelijks, maar kan ook '1x per week' zijn. 

        • P (potentieel) is voor medicatie die geen vast schema heeft, maar 'zo nodig' gebruikt wordt of gedurende een beperkte periode in het jaar (bijv. hooikoorstmedicatie). 

        • T (tijdelijk) is het type voor medicatie die niet voor langere tijd gebruikt wordt (bijv. antibioticakuren). Alle eerste verstrekkingen krijgen in principe eerst een 'T'; bij de tweede aflevering wordt de voorgestelde indeling ('C' of 'P') beoordeeld door de arts of apotheker. Een aantal middelen krijgt al bij een eerste uitgifte het label 'C' of 'P', zoals nitroglycerinespray en acenocoumarol.

          Geneesmiddelen die in de actieve medicatiestatus zijn opgenomen met het label 'P' of 'C', worden bewaakt op interacties, ook als de einddatum is verstreken. Pseudodubbelmedicatie wordt echter alleen bewaakt voor die geneesmiddelen, waarvan de einddatum nog niet verstreken is. 

          Middelen die als 'C' in de status staan, houden die status niet onbeperkt. Voor alle chronische medicatie ('C') geldt dat deze 300 dagen na de (berekende) einddatum automatisch op niet-actueel gezet wordt. Voor middelen die als 'P' in de status staan, wordt een periode van 5 jaar na de laatste aflevering aangehouden. Als er steeds nieuwe verstrekkingen van het middel bijkomen, is er niets aan de hand omdat er steeds weer uitgegaan wordt van een periode van 300 dagen of 5 jaar. Bij geneesmiddelen die eenmalig worden ingebracht, maar gedurende langere tijd werkzaam zijn en dus wél interacties kunnen geven, zoals de Mirena-spiraal of Implanon, kan er een probleem ontstaan. Als een concrete einddatum wordt ingevoerd, vindt bewaking plaats.

    • Sluit de doseringscontrole in Pharmacom voor amoxicilline aan op de adviezen uit het Kinderformularium?

      Het Kinderformularium heeft de adviezen voor de amoxicillinedosering in juni 2017 aangepast, maar dit heeft geen gevolgen voor de doseringscontrole in Pharmacom. 

      Lees meer in het nieuwsbericht Doseringscontrole amoxicilline conform Kinderformularium? (dec 2017)

    • Waarom verschijnt er geen waarschuwing over innemen met melk op het etiket van maagsapresistente tabletten en capsules van protonpompremmers?

      In de literatuur is tot nu toe geen bewijs gevonden dat het innemen van maagsapresistente protonpompremmers met melk daadwerkelijk een klinisch relevant effect heeft op de uiteindelijke werking van het geneesmiddel. Daarom is een waarschuwing voor de patiënt niet nodig.

      Lees meer in het nieuwsbericht Protonpompremmers en inname met melk (feb 2018)

    • Kloppen de adviesteksten over het innamemoment van flucloxacilline nog wel na de wijziging in etiketteksten?

      Naar aanleiding van het project ‘Begrijpelijke etiketteksten’ zijn de gebruiksadviezen bij flucloxacilline met betrekking tot het eetmoment gewijzigd. Het advies voor flucloxacilline is op de volgende manier aangepast: ‘1 uur voor of 2 uur na het eten innemen’ is veranderd in ‘2 uur voor innemen niet eten’ en ‘na innemen 1 uur niet eten’. De formulering van het gebruiksadvies is hierbij veranderd, de betekenis ervan is nog steeds hetzelfde. 

      Lees meer in het nieuwsbericht Adviesteksten innamemoment van flucloxacilline (mei 2018).

    • Hoe kunnen azathioprinetabletten het beste ingenomen worden?

      De meerderheid van de fabrikanten raadt aan om het tablet in te nemen tijdens of na de maaltijd, ter vermindering van misselijkheid. Omdat azathioprine bij 1-10% van de gebruikers misselijkheid kan geven, lijkt het inderdaad verstandig om azathioprine rond de maaltijd in te nemen. Daarom heeft Health Base het gebruiksadvies ‘bij de maaltijd innemen met water’ gekoppeld.

      Lees meer in het nieuwsbericht: 'Waarom wijkt het advies over de inname van azathioprine af van sommige bijsluiters?'

Medicatiebegeleiding

  • GIP
    • Welke bronnen gebruikt Health Base voor de GIP?

      De informatie in de GIP is gebaseerd op verschillende bronnen. De belangrijkste zijn de productinformatie (SPC’s), het Informatorium Medicamentorum via de KNMP Kennisbank en Commentaren Medicatiebewaking van Health Base. Daarnaast gebruiken we informatie van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG), de European Medicines Agency (EMA), het Farmacotherapeutisch Kompas, het NKFK Kinderformularium, Bijwerkingencentrum Lareb en informatie uit richtlijnen van beroepsgroepen, zoals NHG-Standaarden en NHG-Behandelrichtlijnen.

      Naast deze wetenschappelijk informatie raadpleegt Health Base ook websites van patiëntenverenigingen en Thuisarts.nl. Ook gebruiken we input van externe deskundigen, onze Redactiecommissie Patiënteninformatie (RCPI) en meldingen van apothekers uit de praktijk. Afhankelijk van het geneesmiddel waarvoor een GIP wordt geschreven gebruiken we ten slotte nog specifieke aanvullende bronnen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan informatie van de Long Alliantie Nederland voor middelen bij astma en COPD, artikelen uit (inter)nationale vakliteratuur of informatie van de fabrikant.

      Vanwege de leesbaarheid voor patiënten bevat de GIP zelf geen bronvermelding. Op verzoek kan de afdeling Patiënteninformatie van Health Base de herkomst van de informatie toelichten.

    • Hoe kan ik de GIP gaan gebruiken?

      Om gebruik te maken van de GIP dient u drie acties uit te voeren:

      1. Activeer de rubriek Apotheek beheerder. Dit doet u via het menu Beheer Systeembeheer apotheek > Beheer medewerk(st)ers Pharmacom > selecteer de betreffende medewerker > geef Enter > Druk op O (Overige parameters) > Kies bij rubriek 16 Apotheek beheerder voor J.
      2. Stel uw contactgegevens en logo in. Dit doet u via het menu Beheer Beheer praktijk 
        Algemeen Contactgegevens en logo. Kies vervolgens voor Opslaan OK
      3. Zet de vernieuwde GIP aan. Dit doet u via het menu Beheer Beheer praktijk Apotheek GIP. Kies bij GIP Gebruiken voor GIP. Stel de parameters voor de GIP in.

      Voor meer uitleg verwijzen wij u graag door naar de Helpkaart vernieuwde GIP en de Handleiding vernieuwde GIP in Pharmacom Nieuw.

    • Ik vind niet alles in de nieuwe GIP een verbetering. Kan ik daar nog invloed op uitoefenen?

      Health Base heeft de nieuwe GIP ontwikkeld in samenwerking met de Redactiecommissie Patiënteninformatie (RCPI), gebruikers en grafisch ontwerpers. Over elk onderdeel is grondig nagedacht. Testen met cliëntenpanels tonen aan dat de nieuwe GIP aanzienlijk verbeterd is ten opzichte van de huidige GIP. Mocht u een suggestie, vraag of klacht hebben, laat ons dit dan weten via patienteninformatie@healthbase.nl, of bel 030 – 740 03 60 (op werkdagen tussen 9.00-17.30 uur).

    • Is de nieuwe GIP korter?

      De nieuwe GIP is twee tot maximaal drie A4’tjes lang. Dit scheelt papier en het is overzichtelijker voor de patiënt. De besparing is bereikt door een betere opmaak, het weglaten van dubbele informatie en het inkorten van inleidingen en algemene tekst. Er is dus geen inhoudelijke informatie weggelaten.

    • Waarom raden jullie aan om de GIP enkelzijdig af te drukken?

      De GIP is uitgebreid getest via cliëntenpanels. Daarbij is ook een dubbelzijdige versie van de GIP getest. Hieruit bleek dat een aantal mensen meer moeite hebben met het terugvinden van informatie. De informatie op de achterkant van de bladzijde werd door een enkeling zelfs helemaal niet gevonden zonder dat zij daar expliciet op werd gewezen. Bij een dubbelzijdige afdruk is de kans dus groter dat belangrijke informatie door de patiënt wordt gemist.

    • Kan ik aan de nieuwe GIP zelf informatie toevoegen voor de patiënt?

      De nieuwe GIP bevat alle individualiseringsmogelijkheden van de ‘oude’ GIP. U kunt de teksten verrijken met extra informatie over bewakingssignalen, de medicijnen die de patiënt gebruikt en specifieke dosering. Ook wordt de tekst aangepast op leeftijd en geslacht. In de toekomst worden deze mogelijkheden verder uitgebreid met individualisering op indicatie.

    • Waarom zijn de zwarte kaders verdwenen in de nieuwe GIP?

      Uit testen bleek dat patiënten de kaders nauwelijks lezen. Dit komt waarschijnlijk omdat kaders in de meeste (leer)boeken facultatief zijn. Bij het scannen op belangrijke informatie slaat de lezer deze (onbewust) over. De extra informatie over medicatiebewakingssignalen staat nu in de bijbehorende rubrieken. Tijdens het geven van voorlichting herkent u deze tekst aan de pictogrammen die ernaast staan.

    • Waarom staat de dosering niet in de medicatielijst?

      Het vermelden van gegevens over de dosering bleek verwarring op te roepen bij patiënten. Zij trokken hierdoor soms verkeerde conclusies. De GIP toont nu alleen een geneesmiddelnaam die duidelijk en leesbaar is voor de patiënt, en de generieke stof. Ook in de bewakingstekstblokken voor de patiënt staan nu deze beter leesbare, kortere namen.

    • Waarom staat er geen samenvatting van de uitgiftebegeleiding op de GIP?

      De GIP is bedoeld voor de patiënt en bevat geen informatie die eigenlijk voor de zorgverlener bestemd is, zoals de samenvatting voor de uitgiftebegeleiding. Uit testen met cliëntenpanels bleek deze informatie niet duidelijk genoeg voor de patiënt. Het is bovendien belangrijk dat informatie maar op één plek voorkomt. Het vermelden van dezelfde informatie op verschillende plekken, blijkt verwarrend voor de patiënt en levert mogelijk problemen op bij het gebruik.

    • Ik ben het niet eens met de inhoud van de extra informatie over bewakingssignalen. Hoe kan ik dat aanpassen?

      De tekstblokken zijn niet lokaal te wijzigen. De informatie wordt namelijk opgehaald vanuit een centraal onderhouden tabel. De tekstblokken sluiten aan op de afhandeling volgens CM-online. 

      Heeft u opmerkingen over de inhoud van de tekstblokken? Meld deze dan bij Health Base via patienteninformatie@healthbase.nl of bel 030 – 740 03 60 (op werkdagen tussen 9.00-17.30 uur).

  • MeMO
    • Wat is MeMO?

      MeMO staat voor Medicatie Monitoring & Optimalisatie en is ontwikkeld door Health Base in samenwerking met PharmaPartners. Het is een gestructureerde, evidence-based werkwijze voor apotheken met Pharmacom (of een ander AIS) om de therapietrouw van patiënten te verbeteren. U kunt MeMO toepassen bij verschillende types medicatie zoals:

      • osteoporosemedicatie

      • astma/COPD-medicatie

      • cardiovasculaire medicatie (lipidenverlagers)

      • cardiovasculaire medicatie (trombocytenaggregatieremmers en nitraten)

      • medicatie bij diabetes mellitus II

      • geneesmiddelen bij depressie

    • Wat houdt de MeMO-werkwijze in?

      Het programma bestaat uit een startfase en een continue fase. Tijdens de startfase voert u de Uitgiftebegeleiding (EUB/TUB in Pharmacom) uit volgens gestandaardiseerde protocollen. Daarna volgt de continue fase waarin u maandelijks het geneesmiddelgebruik monitort van de patiënt volgens gestandaardiseerde zoekalgoritmen in uw apothekersinformatiesysteem. In Pharmacom voert u deze zoekacties uit met de Q-module. Indien nodig voert u een interventie uit.

    • Heb ik Pharmacom nodig om mee te doen aan een MeMO-programma?

      Pharmacom biedt als voordeel dat u gebruik kunt maken van de Q-module. Hiermee kunt u makkelijk en snel uw doelgroep selecteren. U kunt met elk apotheekinformatiesysteem meedoen aan MeMO. Zonder Pharmacom doet u de selecties ‘met de hand’.

    • Wat levert MeMO mij als apotheker op?

      MeMO is de enige werkwijze die aantoonbaar leidt tot:

      • beter geneesmiddelgebruik door uw patiënten (halvering van het aantal patiënten dat onterecht stopt met chronische medicatie)

      • hogere patiënttevredenheid

      • lagere kosten

      Met deelname aan MeMO geeft u bovendien invulling aan de Beleidsregel farmaceutische zorg.

    • Verlaag ik zorgkosten met MeMO?

      Ja. De MeMO-programma’s osteoporose en CVRM bleken aantoonbaar kostenbesparend (voor astma en COPD worden deze cijfers nog onderzocht).

    • Hoeveel extra tijd kost meedoen aan MeMO?

      De MeMO-methode kan extra tijd kosten, maar is efficiënt: u onderneemt alleen actie wanneer daar aanleiding voor is. Op jaarbasis komt maximaal 10% van de patiënten met chronische medicatie in aanmerking voor een beoordeling of interventie.

    • Hoe kan ik meedoen aan MeMO?

      PharmaPartners en Health Base bieden trainingen op maat aan.

    • Wat leer je tijdens de training?
      1. U leert onder andere:

        • het opsporen van patiënten met suboptimale farmacotherapie

        • het uitvoeren van interventies

        • het meten van het effect van de interventies

    • Is MeMO evidence-based?

      Ja. Onderzoek naar de effectiviteit en doelmatigheid van MeMO is gepubliceerd in internationale en nationale peer-reviewed tijdschriften zoals de Annals of PharmacotherapyJournal of Managed Care & Specialty Pharmacy en Pharmaceutisch Weekblad.

    • Kan ik MeMO toepassen op alle patiënten in de apotheek?

      Ja. Op basis van ATC-codes kunt u alle geneesmiddelgroepen selecteren.

    • Om welke patiënten gaat het?

      Patiënten die suboptimaal gebruik maken van chronische medicatie.

Voorschrijven

  • FAQ Formularium
    • Ik mis bepaalde geneesmiddelen in het eerste scherm. Waarom zie ik deze niet?

      Het openingsscherm van het Formularium toont een overzicht van het behandelbeleid, een complexe samenstelling van adviezen en recepten. Om dit aanbod zo overzichtelijk mogelijk te houden, ziet u in dit openingsscherm meestal ‘slechts’ één middel uit elke gelijkwaardige geneesmiddelmiddelengroep. Eén scherm verder kunt u vervolgens eenvoudig een alternatief kiezen. Hierbij zet het Formularium de middelen onder elkaar zonder voorkeursvolgorde. Als er wel sprake is van een voorkeursvolgorde, dan geeft het Formularium hierover een melding in de opmerkingstekst achter een geneesmiddel in de vorm van ‘stap 1’ , ‘keuze 1’ etc.

    • Wie bepaalt de volgorde van geneesmiddelen in het Formularium?

      De volgorde van alternatieve middelen (een ander geneesmiddel of niet-medicamenteus advies uit dezelfde therapeutische groep) wordt in de eerste plaats bepaald door de richtlijn (‘infobron’, bv. een NHG-Standaard) waarop het Formularium gebaseerd is. In de tweede plaats kan de Redactiecommissie Formularium van Health Base (5 artsen en 5 apothekers) de volgorde beïnvloeden op basis van hun expertise. In de derde plaats hebben huisartsen (gebruikers) een stem wanneer zij aangeven een andere volgorde te willen. Dit kan via een mail naar formularium@healthbase.nl

    • Is het mogelijk om het Formularium lokaal aan te passen naar onze eigen wensen?

      Het Formularium kan lokaal aangepast worden door de lokale Formulariumbeheerder o.b.v. lokale FTO-afspraken. Zie de Handleiding Formulariumbeheer.

    • Mijn patiënt heeft meerdere co-morbiditeiten, maar ik kan slechts 1 patiëntgroep kiezen.

      Wanneer 1 patiëntgroep in aanmerking komt, kiest Medicom deze automatisch. Wanneer meerdere patiëntkenmerken van toepassing zijn, kiest u zelf de juiste patiëntgroep. Vaak is het nodig om eerst de therapieënschermen te bekijken van deze patiëntgroepen. Gebruik de knop ‘Terug’ om terug te keren van het therapieënscherm naar het patiëntgroepenscherm.

    • Het valt mij op dat de 1e, 2e en 3e keuze van de SSRI’s in het Formularium (Medicom) niet volgens het NHG genoteerd staat.

      De structuur van de Formulariumsoftware is zo gemaakt dat de middelen onder elkaar komen te staan. Dat betekent niet dat het bovenste middel eerste keus is. Als dat wel zo is, dan staan er in de opmerkingsteksten 1e keus, 2e keus etc (of stap 1, stap 2 etc). Daarnaast is de opzet van de Formulariumsoftware dat in principe van elke groep geneesmiddelen er één getoond wordt in het eerste scherm om het overzicht compact te houden. De gebruiker kan immers zelf ook nog altijd een alternatief middel kiezen van een andere therapiegroep.

    • Hoe kom ik bij de alternatieven in het Formularium?

      U opent een Formularium en selecteert zo nodig een deelformularium. U kiest in het venster Therapieregels een therapieregel. U klikt vervolgens linksboven op het icoon (Menu). Klik vervolgens op A (Alternatieven). Toetscombinatie Alt+A -> Enter (menu) -> A.

    • Hoe kom ik bij de doseervarianten in het Formularium?

      U opent een Formularium en selecteert zo nodig een deelformularium. U kiest (markeert) in het venster Therapieregels een therapieregel. U klikt vervolgens linksboven op het icoon (Menu). Klik vervolgens op D (Doseervarianten). Toetscombinatie Alt+A -> Enter (menu) -> D.

    • In het Formularium staat bij blaasontsteking bij mannen antibioticum voor 7 dagen terwijl de NHG-Standaard 14 dagen aangeeft.

      De NHG-Standaard geeft aan dat mannen bij weefsel invasie gedurende 14 dagen behandeld moeten worden en in het andere geval => UWI risicogroep zonder weefselinvasie, gedurende 7 dagen. De arts moet dus zelf het goede deelformularium kiezen om via het Formularium op de juiste therapieduur en juiste middel uit te komen.

    • Wat kan de reden zijn dat bij vrouwen met een urineweginfectie een kuurduur van 7 i.p.v. 5 dagen wordt geadviseerd?

      Bij voorschrijven via een EVS (Formularium) kiest het Formularium een therapiescherm op basis van comorbiditeit die in de actieve probleem/episodelijst staan, plus wat in het CI scherm staat. Onder de deelformularia ‘hangen’ namelijk meestal meerdere patiëntengroepen, die gedefinieerd worden door leeftijd, geslacht en/of comorbiditeit. U kunt dat zien aan het kleinere schermpje links boven. Hier ziet u welke patiëntengroep met welke comorbiditeit door het Formularium open staat. De 7 daagse kuur wordt geadviseerd bij vrouwen die behoren tot de risicogroep: zwanger, diabetes mellitus of verminderde weerstand, afwijkingen aan nieren/urinewegen (zoals ernstige nierinsufficientie, cystenieren, nierstenen, neurogene blaas, bemoeilijkte mictie of bekend blaasresidu), neurologische blaasstoornissen en verblijfskatheter. Niet al deze comorbiditeiten kunnen via ICPC code het goede advies opleveren. Dit gebeurt wel bij W78, W81.xx, W84.00, T91, T99.01, U05.2, U95.01, U88.00, U95.00, U99.01 en U99.03. In sommige gevallen moet u handmatig, zoals bijvoorbeeld bij nierstenen (U95) kiezen tussen een 7 of 5 daagse kuur. Met de knop Terug (of F8) en Enter kunt u eenvoudig ‘switchen’ naar de patiëntgroep zonder comorbiditeit en de 5 daagse kuur voorschrijven.

    • Waarom bij een gewicht tot 40 kg een Nitrofurantoine suspensie als voorstel, terwijl het gewoon een capsule kan zijn?

      Tot 40 kg betekent letterlijk tot 39,99 kg en dus dient vanaf 40 kg in het therapieregelscherm de therapieregel “tot 12 jaar” gekozen te worden (en niet 32-40kg). Dan kunt u wel kiezen tussen de doseervarianten suspensie of de capsules. In het recentere doseeradvies staan de gewichtscohorten veel duidelijker namelijk “32-40 kg”. Hier dan nog met wel alleen de suspensie.

    • Waar zijn de voorschriften, bij urineweginfecties bij kinderen, in Medicom op gebaseerd?

      Het Kinderformularium.

    • Waar kan ik meer informatie vinden over Vitamine D oplaaddosis?

      Van alle Formularia zijn de informatiebronnen te raadplegen. U klikt op knop Terug totdat u in het hoofdformularium zit. Vervolgens kunt u via knop menu en infobronnen de gewenste informatie vinden. Over vitamine D zijn veel ‘infobronnen’ en ook heel veel uiteenlopende oplaaddoseringen en zelfs formules om deze oplaaddosis te berekenen. U kunt ook alles nalezen in de infotekstblok van de betreffende therapiegroep in het deelformularium Vitamine D + Ca profylaxe / deficiëntie.

    • Waarom wordt Feneticilline (Broxil®) niet o.b.v. leeftijd gedoseerd, zoals in het Kinderformularium?

      N.a.v. het doseringsadvies in het Kinderformularium van dat moment is in december 2011 is het doseerschema Feneticilline gewijzigd naar doseren op gewicht i.p.v. leeftijd. In die periode zijn alle antibiotica doseerschema omgezet naar doseren op gewicht. Bij de wijziging van dit doseerschema is toen zowel naar de dosering “niet ernstige tot matig ernstige infecties” gekeken als naar de dosering “ernstige infecties”. De dosering van dit doseerschema werd 40mg/kg.

      De Formulariumcommissie vond het niet meer correct kinderen van 2-10 jaar dezelfde dosering te geven. Een kind van 10 jaar kan wel 3-4 keer zo veel wegen als een kind van 2 jaar. Het Kinderformularium heeft 1 februari 2016 de doseringen op gewicht weer weggelaten (geconformeerd naar SmPC), maar de dagdosis hetzelfde gelaten met 2-10 jaar: 250mg/dosis 3-6 dd = 750-1500mg/dag, wat uiteindelijk toch neerkomt op +40mg/kg/dag (voorbeeld 10 jaar is 40kg, dus 1500mg/40kg= 37,5mg/kg.

      Voorbeeld: Een kind van 8 jaar weegt doorgaans 25-30kg en dan is met op leeftijd doseren de dosis 750mg/30kg= 25mg/kg/dag aan de lage kant. Volgens het Health Base doseerschema is de dagdosering ‘beter’, namelijk 937,5mg/25kg= 37,5mg/kg/dag. Uiteraard kan met op leeftijd doseren ook gekozen worden voor zelfs 6dd 250mg en dan is de dosering 1500/25= 60mg/kg/dag.

      De dosis blijft met op gewicht doseren veel beter rond de 40mg/kg/dag ongeacht licht of zwaar kind. Daarom vond de Formulariumcommissie het op gewicht doseren net als met de andere antibiotica doseerschema een verbetering en geen reden om dit doseerschema opnieuw weer terug te zetten naar op leeftijd doseren (‘conformeren naar SmPC’).

Delen via