Door Health Base op 30 oktober 2022
  • Medicatiebewaking
  • Pharmacom
  • Medicom

Nieuwe en gewijzigde interacties in de medicatiebewaking

Per 1 november zijn in de medicatiebewaking van Health Base vier nieuwe interacties opgenomen en drie interacties gewijzigd. Commentaren Medicatiebewaking Online is hiermee ook bijgewerkt.

Nieuwe interactie letermovir - enzyminductoren (IA 833)
Letermovir is geïndiceerd bij de profylaxe en behandeling van het cytomegalovirus na transplantatie. Het is een substraat voor UDP-glucuronosyltransferase (UGT), het transporteiwit P-glycoproteïne (P-gp) en de organic anion transporting polypeptides (OATP)1B. Inductie van UGT en/of P-gp leidt tot een verminderde blootstelling aan letermovir, wat nadelige gevolgen kan hebben voor de behandeling. Het advies is om één van beide middelen te vervangen door een alternatief.

Nieuwe interactie Risperidon – itraconazol/verapamil (IA 834)
Deze interactie wordt in een apart nieuwsbericht over de samenwerking met Lareb besproken.
Lees meer >>


Nieuwe interactie Clopidogrel - CYP2C19-remmers (IA835)
Clopidogrel is een prodrug die wordt geactiveerd door omzetting via cytochroom P450 (CYP) 2C19. Remming van CYP2C19 kan deze activering en daarmee de werking van clopidogrel verminderen. Vanwege de grote interindividuele variabiliteit in bloedplaatjesremming wordt het meten hiervan niet aanbevolen en dient er gekozen te worden voor een alternatief voor één van beide middelen. De CYP2C19-remmers die in deze interactie bewaakt worden zijn fluconazol, fluoxetine, fluvoxamine en voriconazol. De interactie met de matige CYP2C19-remmer (es)omeprazol wordt reeds bewaakt in IA 349 clopidogrel – (es)omeprazol.

Nieuwe interactie sulfonylureumderivaten – claritromycine (IA836)
Bij gelijktijdig gebruik van SU-derivaten met claritromycine zijn hypoglykemieën gemeld, meestal in de eerste dagen na starten van de combinatie. Het onderliggende mechanisme van de interactie is onduidelijk. SU-derivaten zijn sterk eiwitgebonden en mogelijk speelt verdringing van deze eiwitten door claritromycine een rol.

Bij de afhandeling van de interactie speelt mee of de bloedglucoseconcentratie van de patiënt al dan niet scherp is ingesteld. Wanneer dit het geval is, lijkt de kans op een hypoglykemie groter. Verder bestaat het risico dat de patiënt door de infectie (waarvoor claritromycine wordt voorgeschreven) zijn eetpatroon wijzigt. Indien dit met de gebruikelijke inname van het sulfonylureumderivaat gepaard gaat, lijkt de kans op een hypoglykemie bij deze interactie eveneens groter.

Het advies is om deze combinatie te vermijden door indien mogelijk claritromycine te vervangen door een ander antimicrobieel middel. Indien dit niet mogelijk is, is het van belang de bloedglucosespiegel extra te (laten) controleren en de patiënt te wijzen op de symptomen van hypoglykemie.

Wijzingen in bestaande interacties met SU-derivaten

Naar aanleiding van de nieuwe interactie zijn de volgende afhandelingen aangepast:

  • IA 12 (SU-derivaten – fenylbutazon)
  • IA 16 (SU-derivaten – sulfonamiden)
  • IA 18 (SU-derivaten – thiamfenicol)
  • IA 145 (SU-derivaten – azoolantimycotica)

In de afhandelingen zijn specifiekere adviezen opgenomen over hypoglykemie en het adviseren van de patiënt om – indien een glucosemeter in gebruik - de bloedglucosespiegel vaker te meten. Daarnaast is toegevoegd dat een verminderde inname van eten door infectie ook een risicofactor kan zijn voor het krijgen van hypoglykemieën.

  • Sander Borgsteede Manager Onderzoek en Wetenschap
  • Suzanne de Klerk apotheker
  • Kim Loan van Donselaar Apotheker

Heeft u een vraag over dit bericht? 

Neem contact op
Delen via