Medicatiebewaking

Maakt u gebruik van de medicatiebewaking van Health Base in uw zorginformatiesysteem? Op deze pagina vindt u een overzicht van veelgestelde vragen, diverse handige documenten en onze contactgegevens.

Veelgestelde vragen


Kijk in onderstaand overzicht of uw vraag over medicatiebewaking er bij staat. Staat uw vraag er niet bij, neem dan contact met ons op via het contactformulier onderaan deze pagina of bel 030 - 740 03 60. 

  • Waarom is de interactie tussen tramadol en SSRI’s niet opgenomen?

    Er is bewust voor gekozen om deze interactie niet op te nemen in het interactiebestand, omdat een goede wetenschappelijke onderbouwing en praktisch afhandelingsadvies ontbreken.

    In de literatuur worden enkele gevallen beschreven van het gebruik van tramadol in combinatie met een SSRI waarin (vermoedelijk) sprake is van het serotoninesyndroom. In de casus werden vaak ook nog andere geneesmiddelen gebruikt, zoals TCA’s en benzodiazepines. In alle gevallen herstelden de patiënten na staken van tramadol of na staken van het tramadol en het SSRI. De klachten behorend bij het serotoninesyndroom kunnen – zij het zelden – ook 'gewoon' als bijwerking van tramadol en bij een 'reguliere' dosisverhoging optreden. Uit de casus kan worden afgeleid dat patiënten die SSRI's gebruiken mogelijk een verhoogde kans hebben op de zeldzame onaangename bijwerkingen van tramadol, die ook in combinatie als serotoninesyndroom zijn beschreven. Alleen een case-control studie of cohortstudie kan verdere aanwijzingen geven over de vraag of de combinatie inderdaad met meer risico gepaard gaat dan tramadol alleen.

    Ondanks het feit dat de combinatie van tramadol en SSRI’s in de praktijk vaak voor zal komen – zowel SSRI’s als tramadol zijn veelgebruikte middelen – is er toch slechts sprake van een klein aantal case reports waarin een interactie wordt beschreven.

    Naast een verhoogd risico op het serotoninesyndroom speelt een mogelijk verhoogde kans op convulsies een rol, omdat zowel tramadol als antidepressiva in het algemeen de convulsiedrempel verlagen. Dit is een theoretische interactie. Tot dusverre is slechts in één casus beschreven dat een patiënt met tramadol en andere psychofarmaca convulsies kreeg; het betrof echter een alcoholicus, waarbij de convulsies ook konden worden toegeschreven aan alcohol-onttrekking.

    De afhandeling van deze interactie is lastig; tramadol is niet altijd eenvoudig te vervangen. Wanneer een NSAID als alternatief wordt gekozen, geeft dit ook een interactie met SSRI's. Paracetamol zal (meestal) geen optie zijn. Stockley geeft aan dat het niet nodig is om de combinatie geheel te vermijden, maar adviseert om de patiënt nauwlettend in de gaten te houden. Dit advies is moeilijk in de praktijk te brengen, met name in de eerste lijn.

    1. Gillman PK. A review of serotonin toxicity data: implications for the mechanism of antidepressant drug action. Biol Psychiatry 2006; 59: 1046-1051.

    2. Isbister GK, Buckley NA. The pathophysiology of serotonin toxicity in animals and humans – implications for diagnosis and treatment. Clin Neuropharmacol 2005; 28: 205-214.

    3. Opioids; tramadol + SSRIs [Updated on 22-Oct-2009]. In: Baxter K (Ed), Stockley's Drug Interactions, 8th ed. London: The Pharmaceutical Press 2008: 1222-1223.

  • Waarom is de interactie tussen sumatriptan en SSRI’s niet opgenomen?

    Er is bewust voor gekozen om deze interactie niet op te nemen in het interactiebestand, omdat een goede wetenschappelijke onderbouwing en praktisch afhandelingsadvies ontbreken.

    Triptanen kunnen in theorie de serotonerge neurotransmissie beïnvloeden. In combinatie met een SSRI zou dit kunnen leiden tot serotonerge bijwerkingen, zoals het serotoninesyndroom. Het serotoninesyndroom berust vermoedelijk op toename van de hoeveelheid 5-HT en vervolgens prikkeling van vooral 5-HT2A-receptoren. De farmacologische eigenschappen van de triptanen overziend, is een bijdrage van deze middelen aan het serotoninesyndroom onwaarschijnlijk. Triptanen hebben geen noemenswaardige affiniteit voor de 5-HT2A-receptoren: ze stimuleren 5-HT1B en 5-HT1D-receptoren. Ook vergroten ze de hoeveelheid serotonine in de synaptische spleet niet.

    In de literatuur worden enkele gevallen beschreven van gelijktijdig gebruik van sumatriptan en een SSRI, waarin symptomen werden waargenomen die zouden kunnen wijzen op een serotoninesyndroom. De twee best gedocumenteerde gevallen betroffen sumatriptan als injectie; in combinatie met sertraline werden bepaalde serotonerge bijwerkingen versterkt. Daarnaast zijn er ook studies gepubliceerd waarin sumatriptan zonder complicaties werd gecombineerd met verschillende SSRI’s. Een aantal auteurs stelt ook dat de combinatie over het algemeen zonder problemen gebruikt kan worden. Dit heeft weliswaar in enkele gevallen tot problemen heeft geleid, maar die vormen geen reden om de combinatie geheel af te raden. Een overzichtsartikel over de combinatie van SSRI’s/SNRI’s met triptanen komt tot de conclusie dat er geen reden tot bezorgdheid is.5

    Depressie en migraine komen vaak samen voor en daarmee ook het gecombineerd gebruik van een SSRI en een triptaan. Toch is slechts sprake van een klein aantal case reports waarin een mogelijke interactie wordt beschreven. De casuïstiek die gepubliceerd is over deze interactie is weinig overtuigend.

    De afhandeling van deze interactie is lastig. Sumatriptan is het meest gebruikte triptaan en het langst op de markt. Voor andere triptanen zijn (nog) geen publicaties beschikbaar die symptomen van het serotoninesyndroom beschrijven bij gelijktijdig gebruik met een SSRI. Dat dergelijke problemen (nog) niet gemeld zijn, is echter geen reden om aan te nemen dat de overige triptanen ‘veiliger’ zijn dan sumatriptan. Bovendien passeert sumatriptan de bloed-hersen-barrière niet en zijn er andere triptanen die op grond van een betere passage van de bloed-hersen-barrière op theoretische basis een groter risico bij combinatie met SSRI's kunnen geven. Ook een SSRI kan niet altijd vervangen worden.

    1. Shapiro RE, Tepper SJ. The serotonin syndrome, triptans, and the potential for drug-drug interactions. Headache 2007; 47: 266–269.

    2. Gillman PK. A review of serotonin toxicity data: implications for the mechanism of antidepressant drug action. Biol Psychiatry 2006; 59: 1046-1051.

    3. Isbister GK, Buckley NA. The pathophysiology of serotonin toxicity in animals and humans – implications for diagnosis and treatment. Clin Neuropharmacol 2005; 28: 205-214.

    4. Triptans + SSRIs [Updated on 08-Oct-2005]. In: Baxter K (Ed), Stockley's Drug Interactions, 8th ed. London: The Pharmaceutical Press 2008: 605-606.

    5. Wenzel RG, Tepper S, Korab WE, Freitag F. Serotonin Syndrome risks when combining SSRI/SNRI drugs and triptans: is the FDA’s alert warranted? Ann Pharmacotherapy 2008; 42: 1692-1696.

  • Waarom is de interactie tussen metoprolol en sterke CYP2D6-remmers (weer) opgenomen?

    Per 1 december 2018 vindt er weer bewaking plaats op de interactie tussen metoprolol en sterke CYP2D6-remmers. In 2005 was besloten deze interactie niet meer te bewaken. Uit de toen beschikbare literatuur bleek dat in farmacogenetische studies bij mensen met hypertensie en hartfalen een relatief hoge metoprololspiegel geen invloed had op de verdraagbaarheid, bijwerkingen en/of effectiviteit. Een nieuw literatuuroverzicht concludeert op basis van zowel de spiegelstijging van metoprolol als casuïstiek (bradycardie als bijwerking) dat de combinatie beter vermeden kan worden. Ook omdat er goede alternatieven beschikbaar zijn.

    Health Base heeft dit advies overgenomen en signaleert de combinatie metoprolol met sterke CYP2D6-remmers als interactie, met het advies om voor een van beide middelen een alternatief te kiezen.

    Wat betekent dit voor patiënten die reeds zijn ingesteld op de combinatie metoprolol – CYP2D6-remmers?
    Afgelopen jaren is veel gebruikservaring opgedaan met deze combinatie en zijn er bij Health Base geen meldingen bekend dat dit in Nederland tot risicovolle situaties heeft geleid. Het is daarom niet nodig om reeds ingestelde therapie bij iedereen te wijzigen. Wel is het verstandig om te vragen naar bijwerkingen zoals duizeligheid of bradycardie. In voorkomende gevallen kan dosisaanpassing gewenst zijn.

    De keuze om de combinatie metoprolol – CYP2D6-remmers vanaf nu wel te signaleren is gebaseerd op een beschikbaar alternatief, een theoretische kans op bradycardie en een hogere metoprololspiegel.

    Wat betekent dit voor nieuwe patiënten? 
    We adviseren om bij nieuwe patiënten af te zien van de combinatie metoprolol – sterke CYP2D6-remmers, en een alternatief voor een van beide middelen te kiezen.

    Uitgebreide achtergrondinformatie vindt u in Commentaren Medicatiebewaking IA 219 metoprolol – CYP2D6-remmers.

  • Waarom is de interactie tussen levetiracetam en macrogol niet opgenomen?

    In verband met de beperkte bewijslast in de literatuur voor een interactie en een onopgehelderd mechanisme, wordt levetiracetam niet bewaakt met macrogol. 

    Lees meer in het nieuwsbericht: 'Interactie tussen levetiracetam en macrogol?'

  • Waarom is de interactie tussen simvastatine en amlodipine niet opgenomen?

    De combinatie amlodipine en simvastatine wordt niet bewaakt vanwege onvoldoende onderbouwing. Er is onderzoek gedaan naar de combinatie 10 mg amlodipine met 80 mg simvastatine. Hierbij werd een toename van blootstelling aan simvastatine gezien. De fabrikant heeft op basis van dit onderzoek in de bijsluiter het advies opgenomen om de dosis van simvastatine te verlagen. Echter is er ook een studie waarin een afname van de blootstelling aan simvastatine is gezien bij gecombineerd gebruik met amlodipine.

    Naast dat de klinische relevantie niet duidelijk is, is ook onduidelijk wat het interactiemechanisme is. Amlodipine staat namelijk niet bekend als een CYP3A4-remmer.1 

    Samenvattend: vanwege onvoldoende onderbouwing, het ontbreken van een interactiemechanisme en de onduidelijke klinische relevantie is vooralsnog besloten om deze combinatie niet te bewaken.

    1. Baxter K (ed). Stockley’s Drug Interactions [online]. London: Pharmaceutical Press. www.medicinescomplete.com Statins – Calcium-channel blockers; Dihydropyridines (updated 21-Oct-2015)

  • Waarom is er bij IA 191 (ibuprofen/indometacine - acetylsalicylzuur) géén advies voor maagbescherming?

    De combinatie tussen ibuprofen of indometacine met acetylsalicylzuur zorgt ervoor dat de acetylsalicylzuur zijn werking als trombocytenaggregatieremmer verliest. Daarom wordt deze combinatie afgeraden. Dat is tevens de reden dat er geen advies over maagbescherming is opgenomen: dat zou suggereren dat de combinatie wel afgeleverd kan worden, terwijl dat niet de bedoeling is. In IA 304 (NSAID’s - acetylsalicylzuur/carbasalaatcalcium) is ‘slechts’ sprake van een verhoogd risico op maagbloedingen; de combinatie kan daarom wel afgeleverd worden, mits er bij risicopatiënten maagprotectie wordt toegevoegd. Daarom geven we bij IA 304 wel een advies voor maagbescherming.

  • Sluit de doseringscontrole voor amoxicilline aan op adviezen uit het Kinderformularium?

    Het Kinderformularium heeft de adviezen voor de amoxicillinedosering in juni 2017 aangepast, maar dit heeft geen gevolgen voor de doseringscontrole in Pharmacom. 

    Lees meer in het nieuwsbericht Doseringscontrole amoxicilline conform Kinderformularium? (dec 2017)

  • Hoe kunnen azathioprinetabletten het beste ingenomen worden?

    De meerderheid van de fabrikanten raadt aan om het tablet in te nemen tijdens of na de maaltijd, ter vermindering van misselijkheid. Omdat azathioprine bij 1-10% van de gebruikers misselijkheid kan geven, lijkt het inderdaad verstandig om azathioprine rond de maaltijd in te nemen. Daarom heeft Health Base het gebruiksadvies ‘bij de maaltijd innemen met water’ gekoppeld.

    Lees meer in het nieuwsbericht: 'Waarom wijkt het advies over de inname van azathioprine af van sommige bijsluiters?'

  • Waarom zie ik geen waarschuwing over inname met melk bij protonpompremmers?

    In de literatuur is tot nu toe geen bewijs gevonden dat het innemen van maagsapresistente protonpompremmers met melk daadwerkelijk een klinisch relevant effect heeft op de uiteindelijke werking van het geneesmiddel. Daarom is een waarschuwing voor de patiënt niet nodig.

    Lees meer in het nieuwsbericht Protonpompremmers en inname met melk (feb 2018)

  • Waarom zie ik geen signaal bij 2 verschillende immunosuppressiva?

    Deze combinatie van geneesmiddelen voldoet niet aan de criteria die zijn gesteld voor de bewaking op pseudodubbelmedicatie. Deze criteria zijn:

    • Geneesmiddelen uit dezelfde farmacotherapeutische groep, waarbij gecombineerd gebruik door 'stapeling van effecten' of toxiciteit schadelijk voor de patiënt kan zijn (bijvoorbeeld anxiolytica of contactlaxantia), of waarbij een combinatie (meestal) als irrationeel of onlogisch kan worden beschouwd (bijvoorbeeld antibiotica of antidepressiva);

    • Geneesmiddelen niet uit dezelfde groep, die eenzelfde patroon van bijwerkingen (bijvoorbeeld anticholinerg werkend) hebben en daardoor ongewenste reacties bij de patiënt kunnen veroorzaken.

    Hiermee probeert Health Base de hoeveelheid signalen te beperken tot signalen waar daadwerkelijk actie op ondernomen kan worden. Het is bekend dat medicatiebewakingssignalen, waarop geen actie op wordt ondernomen ‘signaalmoeheid’ opleveren, waarbij het risico bestaat dat relevante signalen worden ‘doorge-enterd’ en belangrijke informatie kan worden gemist.

    Immunosuppressiva is een diverse groep geneesmiddelen die voor verschillende aandoeningen worden ingezet, zoals ernstige reuma, ernstige psoriasis, maar ook bij patiënten die een transplantatie hebben ondergaan. Het komt regelmatig voor dat deze immunosuppressiva gecombineerd worden gebruikt. Een voorbeeld hiervan is de combinatie van etanercept met methotrexaat bij reuma, maar ook mycofenolaat in combinatie met ciclosporine ter voorkoming van afstotingsverschijnselen bij transplantatiepatiënten. Vaak gebruiken transplantatiepatiënten meerdere sterktes van het immunosuppressivum. Dit zou, als er een PD-signaal immunosuppressiva zou verschijnen, betekenen dat er een overdaad aan onterechte signalen zou optreden. Er is uitgezocht dat er veel meer onterechte dan terechte signalen gegenereerd zouden worden en daarom is in overleg met de Redactiecommissie Medicatiebewaking besloten deze PD niet op te nemen.

  • Waarom zie ik geen waarschuwing voor het gebruik van grapefruitsap bij amlodipine?

    In de GIP staat een waarschuwing voor het gebruik van grapefruit(sap) als GW (gebruikswaarschuwing) 52 ‘Gebruik geen grapefruit(sap)’ op het etiket is opgenomen. De UB toont gekoppelde GA’s en GW’s automatisch. Op het etiket van amlodipine is geen GW 52 opgenomen. Daarom is de waarschuwing ook niet terug te vinden in de GIP of UB.

    Achtergrond: Bepaalde stoffen in grapefruitsap remmen het enzym cytochroom P450 3A4 (CYP3A4) dat aanwezig is in de darmwand en de lever. Hierdoor kan de biologische beschikbaarheid van sommige geneesmiddelen worden verhoogd. Furanocumarines, vermoedelijk met name 6,7-dihy­droxybergatmottin, worden beschouwd als de belangrijkste CYP3A4-remmende bestanddelen uit grapefruitsap. Deze interactie kan aanzienlijk zijn voor stoffen die, ten gevolge van een hoog ‘first-pass’ metabolisme door CYP3A4, een lage biologische beschikbaarheid hebben.

    Amlodipine heeft, net als diltiazem en nicardipine, een relatief hoge biologische beschikbaarheid. Stijging van de bloedspiegels door gebruik van grapefruitsap leidt daarom bij deze geneesmiddelen niet tot klinisch relevante bijwerkingen. Om deze reden is er geen waarschuwing voor het gebruik van grapefruitsap opgenomen op het etiket en in de GIP van amlodipine.

    Voor meer informatie, zie Commentaren Medicatiebewaking Gebruikswaarschuwing (GW) Grapefruitsap.

  • Waarom verschijnt er geen EUC-signaal over verkeersdeelname bij dit geneesmiddel?

    Signalen voor de Eerste Uitgifte Controle (EUC) zijn opgenomen bij:

    • middelen uit categorie III waarmee niet gereden mag worden

    • middelen uit categorie II en III waarvoor een rijveiliger alternatief bestaat

    In die gevallen is een signaal tijdens het voor- of aanschrijven van belang, zodat u kunt overwegen om de therapie aan te passen.

    In alle andere gevallen is er eerder sprake van begeleiding; het informeren van de patiënt. Daarom zijn voor alle middelen die de rijvaardigheid beinvloeden, teksten voor Eerste Uitgifte Begeleiding (EUB) beschikbaar. In EUB is meer ruimte voor toelichting dan in EUC. Bovendien kunt u bij EUB vastleggen dat u deze begeleiding heeft uitgevoerd.

  • Waarom verschijnt er geen dubbelmedicatie-signaal bij ...?

    Een dubbelmedicatie signaal verschijnt wanneer een tweede middel met dezelfde werkzame stof wordt voorgeschreven, maar alleen:

    • bij geneesmiddelen met een groot risico op overdosering, toxiciteit of afhankelijkheid (bijv. colchicine of benzodiazepines)

    • bij geneesmiddelen die (doorgaans) chronisch gebruikt moeten worden en waarbij therapietrouw belangrijk is.

    Er zijn echter geneesmiddelen die wel aan bovengenoemde criteria voldoen, maar waarvoor geen juiste einddatum berekend kan worden (bijv. cumarines, insulines of oogdruppels voor glaucoom). Om onterechte signalen te voorkomen is voor deze middelen geen signaal dubbelmedicatie opgenomen.

  • Hoe werkt de bewaking bij magistrale receptuur?

    In de medicatiebewaking voor magistrale receptuur zijn opgenomen: controle op interacties, contra-indicaties, intoleranties en doseringscontrole. De bewaking is gebaseerd op de combinatie van bestanddelen (generieke stoffen) met toedieningsweg. Zie ook de Handleiding invullen eigen preparaten.

    De bestanddelen zijn ofwel die welke tijdens de receptverwerking worden ingevoerd, ofwel die welke bij eigen preparaten in de tabel Eigen preparaten zijn ingevoerd. Let op: wanneer bij Eigen preparaten in het Pharmacom bewakingsscherm (F6) gegevens worden ingevuld, dan vervalt de bewaking via de samenstelling.

    Bewaking per toedieningsweg (oraal, inhalatie, intraveneus, etc.) is noodzakelijk omdat een interactie die bijvoorbeeld bij systemische toepassing relevant is, bij toepassing op de huid niet relevant hoeft te zijn.

    De medicatiebewakingsgegevens voor generieke stoffen zijn in Pharmacom te raadplegen door de grondstof in de taxe op te zoeken. Met S is de samenstelling op te vragen, met / kan er gebladerd worden tussen verschillende schermen:

    1. samenstelling: alle generieke bestanddelen

    2. samenstelling: alleen de generieke bestanddelen met bewaking, uitgesplitst per toedieningsweg (TW)

    3. overzicht van de bewaakte interacties (F9-R toont volledige omschrijving)

    4. overzicht van de bewaakte contra-indicaties (F9-R toont volledige omschrijving) De gegevens die in het bewakingsscherm (F6) van de taxe bij het bestanddeel staan worden niet gebruikt bij de magistrale medicatiebewaking.

    NB: De medicatiebewakinggegevens van generieke stoffen zijn alleen te raadplegen en niet te muteren.

  • Waarom een afwijkende uiterste gebruiksdatum op het etiket bij FNA-preparaten?

    Voor alle apotheekbereidingen dient op het etiket voor de patiënt een uiterste gebruiksdatum vermeld te worden. Deze datum dient gebaseerd te zijn op de bewaar- en gebruikstermijnen volgens de richtlijnen zoals vermeld in het FNA op de Kombirom en in Recepteerkunde (derde druk).

    Als in het FNA een specifieke bewaartermijn na afleveren wordt genoemd, wordt deze op het etiket vermeld.In de andere gevallen waarbij de bewaartermijn geldt na bereiden wordt de volgende regel aangehouden: de bewaartermijn wordt verdeeld in een 2/3 gedeelte voor de apotheek en 1/3 deel voor de patiënt, mits dit resulteert in een termijn langer dan 3 maanden. Dit is omdat FNA preparaten op voorraad of op recept bereid kunnen worden; een keuze die per apotheek kan verschillen.

    Wanneer een preparaat direct na bereiding aan de patiënt wordt afgeleverd (bereiding op recept) kan in Pharmacom de uiterste gebruiksdatum op het etiket vóór afdrukken handmatig aangepast worden aan de FNA richtlijn. Als de houdbaarheid door de bovenbeschreven regel korter zou worden dan 3 maanden, geldt als uitgangspunt dat deze bereiding gewoonlijk niet op voorraad gemaakt zal worden en het een receptbereiding betreft. De houdbaarheid wordt dan gesteld op 3 maanden of zoveel korter als het bereidingsvoorschrift aangeeft. In het algemeen kan gesteld worden, dat de bewaartermijn met 50% wordt bekort, indien de voorraadbereiding niet wordt afgevuld in een verpakking voor de patiënt, maar in een opstandpot, die tussentijds wordt geopend.

  • Waarom zie ik een dubbele melding (GA/GW) over de houdbaarheid van een geneesmiddel?

    Een verklaring voor de dubbele melding over de houdbaarheid kan zijn dat er bij u in de apotheek lokaal afwijkende GA/GW- teksten zijn ingevoerd voor dit product. Afwijkende GA/GW teksten die lokaal zijn opgenomen, worden aanvullend op de centraal-uitgeleverde GA/GW teksten op het etiket afgedrukt.

    Of er sprake is van lokale teksten, kan op de volgende manier worden gecontroleerd in Pharmacom Classic:

    - Taxebeheer (6)

    - Onderhoud taxebestand (1)
    - Memocode/sterkte invoeren van het product
    - Product selecteren
    - F9-scherm, rubriek 22/23 of F3-scherm, rubriek 36/37

    Wanneer achter de tekst ‘afw’ een code is ingevuld dan zijn dit lokaal gekoppelde teksten. Met W (wijzingen) kunnen de lokale teksten worden verwijderd door de clusterbeheerder.

    Bij het herhalen van een preparaat dat oorspronkelijk een lokale GA/GW had, komt de dubbele melding alsnog op het etiket.

    Mocht er geen sprake zijn van een lokale tekst, dan kunt u dit melden bij medicatiebewaking@healthbase.nl.

  • Hoe wordt een geneesmiddel bewaakt dat in de status op 'Chronisch' of 'Tijdelijk' staat?

    De geneesmiddelen in de status kunnen op drie manieren gelabeld worden: 

      • C (chronisch) is bedoeld voor medicatie die voor langere tijd in een vast schema gebruikt moet worden. Dit is meestal dagelijks, maar kan ook '1x per week' zijn. 

      • P (potentieel) is voor medicatie die geen vast schema heeft, maar 'zo nodig' gebruikt wordt of gedurende een beperkte periode in het jaar (bijv. hooikoorstmedicatie). 

      • T (tijdelijk) is het type voor medicatie die niet voor langere tijd gebruikt wordt (bijv. antibioticakuren). Alle eerste verstrekkingen krijgen in principe eerst een 'T'; bij de tweede aflevering wordt de voorgestelde indeling ('C' of 'P') beoordeeld door de arts of apotheker. Een aantal middelen krijgt al bij een eerste uitgifte het label 'C' of 'P', zoals nitroglycerinespray en acenocoumarol.

        Geneesmiddelen die in de actieve medicatiestatus zijn opgenomen met het label 'P' of 'C', worden bewaakt op interacties, ook als de einddatum is verstreken. Pseudodubbelmedicatie wordt echter alleen bewaakt voor die geneesmiddelen, waarvan de einddatum nog niet verstreken is. 

        Middelen die als 'C' in de status staan, houden die status niet onbeperkt. Voor alle chronische medicatie ('C') geldt dat deze 300 dagen na de (berekende) einddatum automatisch op niet-actueel gezet wordt. Voor middelen die als 'P' in de status staan, wordt een periode van 5 jaar na de laatste aflevering aangehouden. Als er steeds nieuwe verstrekkingen van het middel bijkomen, is er niets aan de hand omdat er steeds weer uitgegaan wordt van een periode van 300 dagen of 5 jaar. Bij geneesmiddelen die eenmalig worden ingebracht, maar gedurende langere tijd werkzaam zijn en dus wél interacties kunnen geven, zoals de Mirena-spiraal of Implanon, kan er een probleem ontstaan. Als een concrete einddatum wordt ingevoerd, vindt bewaking plaats.

Downloads

Neem contact met ons op

Heeft u nog een vraag? Neem dan telefonisch contact met ons op of vul onder onderstaand formulier in. 

030 - 740 03 60
(waar gaat uw vraag over)